DMMD H3 & H4

Het probleem met zoeken naar “de natuur van de mens”

In hoofdstuk 3 en 4 van De Meeste Mensen Deugen verschuift Rutger Bregman van literatuurkritiek naar evolutie en antropologie. De centrale vraag blijft dezelfde: wat is de mens eigenlijk van nature?

Goed?
Gewelddadig?
Coöperatief?
Egoïstisch?

Maar terwijl ik las, begon een andere vraag zich op te dringen. Wat als “de natuur van de mens” helemaal geen stabiel object is om te ontdekken?

De homo sapiens als hive mind

In hoofdstuk 3 beschrijft Bregman hoe de homo sapiens het won van andere menssoorten, mogelijk zelfs van intelligentere soorten zoals de neanderthaler. Niet dankzij individuele superioriteit, maar dankzij sociale vermogens als Imitatie, samenwerking, groepsvorming, en collectieve verhalen.

Dat is een fascinerend idee. Niet het genie overleeft, maar de groep die zichzelf het beste organiseert. Daar zit overigens meteen al iets interessants in verstopt. Want dit “sociale gen” is moreel behoorlijk ambigu.

Een hive mind bouwt kathedralen.
Maar een hive mind kan ook heksen verbranden.

Collectieve intelligentie produceert wetenschap.
Maar ook propaganda.

Sterke sociale afstemming bewijst dus niet vanzelf menselijke goedheid. Het bewijst vooral dat mensen extreem beïnvloedbaar en coördineerbaar zijn. Dat is iets anders. Bregman heeft hier oog voor.

Het probleem van evolutionaire moraal

In hoofdstuk 4 gaat Bregman verder met de vraag die al sinds Hobbes en Rousseau rondzingt: hoe gewelddadig waren de eerste mensen eigenlijk?

Daarvoor gebruikt hij twee soorten bewijs: hedendaagse primitieve stammen, en archeologische resten van vroege mensen.

En hier begon mijn ongemak toe te nemen. Want Bregman maakt een opvallende selectie in de tijdlijn van de mens.

De landbouwsamenleving?
Niet representatief.

Samenlevingen met paarden, bezit en oorlog?
Te laat.

Nee, we moeten verder terug.
Naar nomadische jagers-verzamelaars.

En precies daar, zo stelt Bregman, vinden we nauwelijks bewijs voor oorlogszuchtige samenlevingen.

Maar daarmee ontstaat een methodologisch probleem.

Wie bepaalt welke mens de “echte” mens is?

Bregmans argument hangt sterk af van waar hij de grens legt van wat telt als “de oorspronkelijke mens”.

Maar die grens is niet neutraal.

Wanneer landbouw verschijnt, neemt geweld toe?
Dan schuift hij verder terug.

Wanneer bezit hiërarchie veroorzaakt?
Dan telt dat tijdperk minder mee.

Maar waarom eigenlijk?

De landbouwende mens is óók een mens.
De mens met steden is óók een mens.
De mens met legers, bureaucratie en imperia is óók een mens.

Het begint arbitrair te voelen, alsof alleen die periode relevant is die het gewenste mensbeeld ondersteunt.

En zelfs als Bregman volledig gelijk zou hebben over die vroege nomadische groepen, blijft een veel fundamentelere vraag overeind:

Waarom zou de aard van de eerste mens automatisch ook de aard van de huidige mens zijn? En vooruitlopend op volgende vragen, waarom zouden we moeten streven naar een vreedzame aard? En hoever mag je gaan om dat te bereiken?

Wat als de mens veranderd is?

Dat klinkt misschien als een simpele vraag, maar de implicaties zijn een kink in de kabel voor de redenering van Bregman.

Stel hypothetisch dat ergens rond het jaar 400 na Christus een genetische mutatie ontstond die agressie verhoogde. En stel dat die mutatie zich uitzonderlijk succesvol verspreidde.

Dan verandert de hele relevantie van de vraag naar “de eerste mens”.

Of neem cultuur.

De menselijke geest van vandaag groeit op in:

  • massasteden;
  • staten;
  • digitale media;
  • kapitalistische competitie;
  • bureaucratie;
  • nationale identiteit;
  • religieuze systemen;
  • onderwijs;
  • propaganda;
  • sociale media.

Zelfs als de vroege mens vreedzaam was, zegt dat dan nog veel over een moderne mens die psychologisch gevormd wordt door totaal andere structuren?

De impliciete aanname bij Bregman lijkt te zijn:
de oorspronkelijke mens = de ware mens.

Maar waarom zou oorsprong normatief of verklarend superieur zijn?

Evolutie produceert geen eindpunt

Wat hier volgens mij onder ligt, is een veel ouder filosofisch verlangen: het idee dat er ergens een authentieke menselijke kern bestaat.

Rousseau zocht haar.
Hobbes zocht haar.
Bregman zoekt haar ook.

Maar misschien bestaat die kern helemaal niet.

Misschien is de mens geen stabiel wezen met één natuur, maar een verzameling potentiëlen:

  • coöperatief én destructief;
  • empathisch én wreed;
  • altruïstisch én tribaal.

En misschien worden verschillende eigenschappen zichtbaar afhankelijk van:

  • ecologie;
  • groepsgrootte;
  • technologie;
  • schaarste;
  • instituties;
  • verhalen;
  • machtssystemen.

Dat idee vind ik uiteindelijk overtuigender dan zowel cynisme als optimisme.

Niet “de mens deugt”.
Niet “de mens is slecht”.

Maar:
de mens is extreem plastisch.

De ironie van het hele project

En misschien zit daar uiteindelijk de grootste ironie.

Bregman probeert het pessimistische mensbeeld te corrigeren door terug te gaan naar de oorsprong.

Maar juist de evolutieleer waarop hij zich beroept, ondermijnt het idee van een vaste menselijke essentie.

Een evoluerend wezen heeft niet één eeuwige natuur.
Het hééft geschiedenis.

Misschien zit hier uiteindelijk wel een spanning in het hart van Bregmans hele project. Enerzijds presenteert hij historisch, evolutionair en antropologisch bewijs om aan te tonen dat de mens “van nature” goed is. Anderzijds benadrukt hij voortdurend hoe sterk mensen gevormd worden door verhalen, verwachtingen en sociale context. Maar als dat laatste waar is, als de mens inderdaad zo plastisch is, dan wordt de vraag waarom we überhaupt nog een vaste menselijke kern zouden moeten bewijzen. Dan zou je ook simpelweg kunnen zeggen: laten we bewust kiezen voor een positiever verhaal over onszelf, omdat dat betere mensen voortbrengt.