DMMD H2

Hoofdstuk 2 van De Meeste Mensen Deugen: een optimistisch mensbeeld met selectieve spelregels

In hoofdstuk 2 van De Meeste Mensen Deugen richt Rutger Bregman zijn pijlen op Lord of the Flies van William Golding. Dat beroemde verhaal over gestrande jongens die langzaam afglijden naar geweld en barbarij ziet Bregman als exemplarisch voor een diepgeworteld cynisme over de mens. Het boek is fictie, maar wel fictie die volgens hem generaties heeft beïnvloed in hun beeld van wat mensen “echt” zijn wanneer de beschaving wegvalt.

Dat is op zichzelf een interessant uitgangspunt. Verhalen vormen mensen. Culturele pessimistische aannames kunnen zich nestelen in instituties, onderwijs, journalistiek en politiek. Daar valt absoluut iets over te zeggen.

Maar al snel begint er iets te wringen in Bregmans methode.

De psychologisering van William Golding

Vrij vroeg in het hoofdstuk maakt Bregman een opvallende beweging. Hij bespreekt niet alleen het boek van Golding, maar ook Golding zelf. En niet bepaald vriendelijk.

Golding was beschadigd. Somber. Alcoholist. Niet prettig in de omgang. Iemand die het licht niet zag. Iemand die zelfs de namen van vrienden verkeerd opschreef. Ja, dan weet je wel met wat voor iemand je van doen hebt.

Het effect hiervan is subtiel maar krachtig. De lezer krijgt niet alleen argumenten aangereikt tegen Lord of the Flies, maar ook een moreel portret van de maker ervan. Golding wordt niet alleen weerlegd, hij wordt psychologisch geduid.

En precies daar ontstaat een interessant probleem.

Want zodra je suggereert dat een mensbeeld voortkomt uit de beschadigingen van de auteur, open je automatisch de deur naar dezelfde interpretatie van jezelf. Dat is het klassieke probleem van de hermeneutiek: een interpretatiemethode die je op een ander toepast, kan ook op jou worden toegepast.

Dus als Goldings pessimisme voortkomt uit zijn trauma’s, angsten of karakterstructuur, waar komt Bregmans optimisme dan vandaan?

Uit zijn politieke voorkeuren?
Zijn generatie?
Zijn idealisme?
Zijn behoefte aan een hoopvoller narratief?
Zijn persoonlijke temperament?
Zijn domineesgezin?

Dat betekent niet dat Bregman ongelijk heeft. Maar wel dat hij een methode introduceert die zijn eigen positie ondermijnt. Want als ideeën primair psychologische symptomen worden, dan geldt dat niet alleen voor de ander.

Het probleem van retorische details

Het detail over verkeerd gespelde namen is hier veelzeggend. Objectief gezien bewijst het natuurlijk niets. Mensen schrijven namen verkeerd om duizend redenen. Maar retorisch doet het detail enorm veel. Het functioneert als karakterbewijs. Kijk eens wat voor type dit was.

Dat mechanisme zie je vaker in populaire non-fictie: details worden geen bewijs, maar sfeerdragers. Ze sturen de emotionele interpretatie van de lezer.

En dat is precies waarom het schuurt.

Want stel dat we dezelfde methode op Bregman toepassen.

In hetzelfde hoofdstuk vertelt hij dat hij vijf keer zakte voor zijn rijbewijs. Prima anekdote. Menselijk. Grappig zelfs.

Maar stel dat een criticus daar hetzelfde mee zou doen als Bregman bij Golding doet:

“Vijf keer gezakt? Tja, dan weten we ook wel een beetje met wat voor persoon we te maken hebben. Impulsief misschien. Onpraktisch. Iemand die moeite heeft met risico-inschatting.”

Dat zou onmiddellijk flauw en oneerlijk voelen.

En terecht.

Maar precies daarom voelt de psychologisering van Golding ook ongemakkelijk. Niet omdat biografie nooit relevant is, maar omdat de spelregels asymmetrisch worden toegepast. Goldings eigenaardigheden worden bewijs tegen zijn ideeën; Bregmans eigenaardigheden blijven charmante zelfspot.

De gestrande jongens: wat bewijst dit verhaal eigenlijk?

Vervolgens introduceert Bregman het beroemde verhaal van zes jongens die daadwerkelijk op een eiland strandden en daar langdurig samenleefden zonder elkaar af te slachten. Het echte verhaal tegenover de fictieve nachtmerrie van Lord of the Flies.

En eerlijk is eerlijk: het is een prachtig verhaal.

De jongens werkten samen. Zorgden voor elkaar. Overleefden. Er ontstond geen totale barbarij.

Maar ook hier begint Bregman de feiten opvallend sterk te sturen richting één morele conclusie: zie je wel, de mens deugt.

Terwijl hetzelfde verhaal ook op een andere manier gelezen kan worden.

Samenwerking is niet hetzelfde als goedheid

Wat namelijk direct opvalt aan het verhaal, is dat het uitstekend past binnen moderne inzichten over groepsgedrag en het ontwikkelende brein.

De jongens stalen impulsief een boot.
Ze gingen slecht voorbereid de zee op.
Ze overzagen de consequenties nauwelijks.

Dat is geen demonisch kwaad, maar ook niet bepaald verheven morele wijsheid. Het is vrij klassiek adolescent gedrag: sensatiegericht, groepsgedreven, met een beperkt toekomstbesef.

Bregman presenteert dit echter vooral als jongensachtige levenslust. Een avontuurlijk verhaal. Daar hebben we Snuf weer.

En daar zie je opnieuw hetzelfde patroon: gedrag dat niet goed in het optimistische narratief past, wordt zacht geframed.

Maar belangrijker nog: waarom hielpen die jongens elkaar eigenlijk?

Bregmans impliciete antwoord is:
omdat mensen van nature goed zijn.

Maar er is een veel zuinigere verklaring mogelijk:
omdat samenwerking functioneel is.

Mensen zijn sociale dieren. Groepscohesie verhoogt overlevingskansen. Wederzijdse hulp stabiliseert systemen. Onder extreme omstandigheden worden prosociale mechanismen vaak juist sterker.

Daar hoef je geen romantisch mensbeeld voor te hebben.

Sterker nog: dat mensen in crisissituaties vaak samenwerken, kan net zo goed een vorm van adaptieve homeostase zijn als bewijs van fundamentele goedheid.

Dat verschil is cruciaal.

Want “mensen beschikken over sociale mechanismen die samenwerking bevorderen” is een veel bescheidener claim dan “de meeste mensen deugen”.

De booteigenaar als moreel obstakel

Een klein moment in het hoofdstuk laat misschien nog beter zien hoe sterk Bregman moreel stuurt.

De eigenaar van de gestolen boot wil schadevergoeding.

Bregman lijkt daar nauwelijks sympathie voor te hebben. Hoe kleinzielig kun je zijn, is ongeveer de ondertoon. De jongens zijn toch veilig teruggekomen?!

Maar wacht even.

Iemand steelt jouw eigendom.
Vernielt het grotendeels.
Brengt zichzelf levensgevaarlijk in de problemen.
En jij bent de onsympathieke partij wanneer je de schade benoemt? Misschien wel omdat je bent geraakt in je levensvoorziening.

Ook hier lijkt de werkelijkheid te worden herschikt ten gunste van de hoofdthese. Iedereen die niet past in het warme mensbeeld krijgt ongemerkt een minder flatterende rol.

En dat is precies waar mijn ongemak met De Meeste Mensen Deugen begint te groeien.

Niet omdat Bregman ongelijk móét hebben.
Niet omdat mensen slecht zouden zijn.
Maar omdat hij soms hetzelfde doet wat hij zijn tegenstanders verwijt: complexe werkelijkheid reduceren tot een moreel aantrekkelijk verhaal.