Ook op de tweede pagina van De Meeste Mensen Deugen kiest Bregman voor dramatiek. We lezen dat Adolf Hitler op 19 oktober 1939 zijn generaals het aanvalsplan dicteert: ‘De genadeloze inzet van de Luftwaffe om de Britse wil tot verzet te breken, kan en zal volgen op het gegeven moment.’ De bron die hierbij wordt genoemd is een publicatie uit 1980 van de Britse historicus Richard Overy. Meteen rijzen vragen. Is dit een letterlijke vertaling van Hitlers woorden, of een analyse van Overy’s zelf? Bregman laat dat in het midden. Daarmee vervolgt het betoog met een zekere vaagheid.
Diezelfde vaagheid zet zich voort wanneer hij schrijft dat “de Britten vreesden dat het al te laat was”. Maar wie zijn hier precies “de Britten”? De regering? De militaire top? De bevolking? En waarvoor was het te laat? Voor de verdediging van Londen, voor de bouw van schuilplaatsen, voor het voorkomen van massale paniek? Het blijft onduidelijk.
Vervolgens beschrijft Bregman hoe “even werd overwogen om een netwerk van schuilplaatsen te graven onder Londen”, maar dat plan uiteindelijk werd afgeblazen. Ook hier wringt de formulering. “Even overwogen” suggereert een kortstondige gedachte, terwijl “uiteindelijk afgeblazen” doorgaans duidt op een langer proces van beraad. Het lijkt een klein stilistisch detail, maar het draagt bij aan een bredere indruk van slordigheid. Het verhaal lijkt eerder geschreven voor dramatisch effect, dan met analytische precisie.
Hetzelfde geldt voor de passage waarin wordt geschetst dat mensen straks misschien nooit meer boven zouden komen uit de schuilplaatsen, verlamd door angst, terwijl “op het laatste moment” nog enkele psychiatrische noodhospitalen buiten de stad worden ingericht. Wat is precies de functie van deze alinea? Ze lijkt vooral bedoeld om spanning op te bouwen, alsof de lezer zich in de aanloop naar een ramp bevindt. Maar analytisch voegt ze weinig toe. Het blijft onduidelijk welke concrete beleidsdiscussie hier wordt samengevat en welke bronnen daarvoor bestaan.
Dan volgt de dramatische zin: “Toen begon het.” Daarna wordt duidelijk waarover het eigenlijk gaat: op 7 september 1940 steken 348 Duitse bommenwerpers het Kanaal over en begint wat later bekend zou worden als The Blitz. Opnieuw roept de structuur vragen op. Als Hitler zijn plan al in oktober 1939 dicteerde, suggereert Bregmans vertelling impliciet dat er bijna een jaar verstrijkt en lijkt het alsof de Britten in die tussentijd nauwelijks iets deden, behalve op het laatste moment enkele noodmaatregelen treffen. Dat beeld kan kloppen of niet, maar Bregman onderbouwt het niet.
De dramatische toon zet zich voort in details die vooral literair lijken: het weer was goed, veel Londenaren waren buiten en keken omhoog toen om 16.43 uur de sirenes begonnen te loeien. Maar hoe weten we dat “veel inwoners” buiten waren? En waarom is dat relevant? Het zijn typische ingrediënten van een meeslepend verhaal, maar ze dragen weinig bij aan het argument dat Bregman wil opbouwen.
Dat argument komt pas expliciet naar voren wanneer hij de vraag stelt: hoe reageerden de Britten? Nu zijn “de Britten” weer de gewone burgers. Werden zij hysterisch? Werden zij beestachtig? Na maandenlange bombardementen. Om dat te beantwoorden introduceert Bregman een getuige: de Canadese psychiater John T. MacCurdy, die in oktober 1940 (dus na slechts één maand van bombardementen, en niet na de eerder genoemde “maanden”) door een zwaar gebombardeerde wijk in Zuidoost-Londen rijdt en daar een opvallende kalmte constateert.
Hier ontstaat een meer inhoudelijk probleem. Op de eerste bladzijde noemt Bregman de voorspellingen uit 1923 van de Britse militair Fuller. Fuller voorspelde dat een grootschalig bombardement met chemische wapens tot zoveel slachtoffers en ontwrichting zou leiden dat een land zich snel gedwongen zou zien te capituleren. Wat Londen tijdens de Blitz meemaakte was verschrikkelijk, maar het was niet het scenario van Fuller. De bombardementen bestonden voornamelijk uit conventionele explosieven en brandbommen. Door die twee situaties impliciet naast elkaar te zetten, creëert Bregman een retorisch effect: een sombere voorspelling wordt vergeleken met een minder extreme werkelijkheid, waarna de voorspelling overdreven lijkt. Maar dat is alleen overtuigend als de situaties werkelijk vergelijkbaar zijn. De geschiedenis laat zien dat een extreem bombardement kan leiden tot de snelle capitulatie van een land.
Ook de keuze voor een psychiater als getuige roept vragen op. MacCurdy beschrijft hoe kinderen blijven spelen, klanten blijven afdingen en een politieman “in majestueuze saaiheid” het verkeer regelt. Het beeld is dat van opmerkelijke kalmte. Toch is het niet vanzelfsprekend dat zo’n observatie meteen iets zegt over de afwezigheid van angst. Mensen kunnen onder extreme omstandigheden ook reageren met verstarring, ontkenning of fatalisme. De vraag is dus of deze kalmte een teken is van veerkracht of misschien juist een andere vorm van psychologische reactie op gevaar.
Het probleem is daarmee niet dat Bregmans conclusie onmogelijk zou zijn. Het probleem is dat de weg ernaartoe rommelig is. Scenario’s uit verschillende discussies worden naast elkaar gezet, begrippen als de Britten verschuiven van betekenis, en dramatische details vervangen soms de analytische onderbouwing. Het resultaat is een meeslepend verhaal, maar geen waterdicht betoog.