De openingspagina van De meeste mensen deugen van Rutger Bregman zet meteen zwaar in op dramatiek. “Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog”, zo lezen we, “maakte de Britse legertop zich grote zorgen”. Londen zou “in acuut gevaar” verkeren. Het zijn formuleringen die vooral retorisch sterk zijn, maar bij nadere beschouwing vragen oproepen.
Om te beginnen blijft onduidelijk wie hier precies wordt bedoeld met “de Britse legertop”. Betreft het een breed gedragen analyse binnen de militaire leiding, of gaat het om enkele individuele stemmen? Collectieve formuleringen als de ‘Britse top’ en ‘acuut’ hebben het voordeel dat ze een gevoel van urgentie en consensus creëren, maar ze verhullen tegelijk de vraag wie er daadwerkelijk aan het woord is en op basis waarvan.
Ook de temporele formulering roept een vraag op. “Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog” suggereert een onmiddellijke dreiging, maar het eerste aangevoerde citaat van Winston Churchill blijkt uit 1934 te stammen. Dat is vijf jaar vóór het uitbreken van Tweede Wereldoorlog.
Churchill noemt Londen in dat citaat “het grootste doelwit ter wereld, een enorme, vette, dure koe die is vastgebonden om het roofdier te lokken”. Bregman geeft daarop de naam van het roofdier: Adolf Hitler. De beeldspraak is onmiskenbaar krachtig, maar ze zet ook onmiddellijk een klassiek moreel frame neer: prooi tegenover roofdier, beschaving tegenover barbarij. Dat is opmerkelijk voor een boek dat juist wil laten zien dat de menselijke natuur complexer en minder cynisch is dan vaak wordt aangenomen. De opening lijkt eerder te leunen op een traditionele dramatische tegenstelling tussen goed en kwaad dan op een genuanceerde analyse.
Bovendien roept de keuze van het Churchill-citaat een inhoudelijke vraag op. In 1934 was Churchill geen lid van de regering en zeker geen vertegenwoordiger van de militaire top. Als zijn uitspraak moet dienen als bewijs dat “de Britse legertop zich grote zorgen maakte”, dan is dat op zijn best een indirecte onderbouwing.
Goed, we kunnen de vooravond van de Tweede Wereldoorlog nog wel oprekken tot vijf jaar als het moet. Maar tot zestien jaar? Bregman citeert een Britse generaal die waarschuwt dat Londen bij bombardementen met chemische wapens in totale chaos zou vervallen. Het citaat is afkomstig van de militaire denker J.F.C. Fuller uit 1923. Fuller beschreef destijds een hypothetisch toekomstscenario waarin een vijand Londen zou bestoken met grote hoeveelheden chemische wapens, zoals mosterdgas. Daarmee verandert een speculatieve militaire theorie uit de vroege jaren twintig in een ogenschijnlijk directe waarschuwing voor de situatie van de late jaren dertig. Het effect is dramatisch, maar historisch gezien worden verschillende tijden, contexten en discussies samengevoegd tot één narratief moment: de vermeende vooravond van de oorlog.
Over mensen die deugen gesproken, op dezelfde pagina als het citaat dat Bregman aanhaalt, stelt Fuller dat het doden van enkele duizenden burgers om een oorlog te winnen humaner is dan het laten sneuvelen van miljoenen soldaten op het slagveld. Dat detail blijft in het boek onvermeld.
In datzelfde kader verschijnt ook de voorspelling dat miljoenen burgers onder bombardementen mentaal zouden instorten. Het leger zou volgens deze verwachting niet eens aan vechten toekomen, omdat het de hysterische massa’s in bedwang zou moeten houden. Churchill zou zelfs hebben voorspeld dat drie tot vier miljoen Londenaren op de vlucht zouden slaan.
Het woord “hysterisch” valt daarbij op. Historisch gezien is het een beladen term met wortels in negentiende-eeuwse medische theorieën waarin emotioneel gedrag, vooral van vrouwen, als irrationeel en pathologisch werd bestempeld. In hedendaags taalgebruik klinkt het daarom al snel ongemakkelijk. Tenminste, bij mij. Een neutralere formulering, zoals massapaniek, had dezelfde strekking gehad zonder die historische bagage.
Vervolgens introduceert Bregman een andere intellectuele bron van deze sombere verwachtingen: het werk van de Franse Gustave Le Bon. In zijn boek betoogde Le Bon dat mensen in massa’s hun rationaliteit verliezen. Die gedachte zou enorme invloed krijgen. Volgens Bregman werd Le Bons boek gelezen door politieke leiders als Benito Mussolini, Joseph Stalin, Churchill en Franklin D. Roosevelt. Daarmee wordt een intellectuele achtergrond geschetst voor de wijdverbreide verwachting dat samenlevingen in crisistijd snel zouden instorten.
De vraag is echter of de opening van het boek deze context overtuigend opbouwt met een speculatieve militaire analyse uit 1923, een politieke uitspraak uit 1934 en een algemene verwijzing naar massapsychologie. Door citaten uit verschillende decennia en uiteenlopende discussies naast elkaar te plaatsen ontstaat vooral een dramatisch narratief. De historische onderbouwing van de stelling dat Londen “in acuut gevaar” was en dat de militaire top een specifieke verwachting van massapaniek had, blijft op deze eerste pagina nog opvallend dun.
Als de bedoeling van deze opening is om de lezer te overtuigen van de ernst van die verwachtingen, dan schieten de aangevoerde citaten en voorbeelden voorlopig tekort. Ze illustreren vooral hoe gemakkelijk een sterk verhaal kan ontstaan wanneer losse historische fragmenten worden samengevoegd tot één suggestieve scène. Het werkt echter wel. Maar misschien komt dat omdat ik vroeger graag boeken las over Snuf de Hond.