Noodsituaties als bewijs
In hoofdstuk 1, paragraaf 1 van De meeste mensen deugen zet Rutger Bregman zijn centrale stelling krachtig neer. Het idee dat de meeste mensen deugen, zo schrijft hij, vindt ondersteuning in vrijwel ieder wetenschappelijk domein. Toch lijkt de geschiedenis iets anders te suggereren. Wie naar oorlogen, onderdrukking en geweld kijkt, zou gemakkelijk kunnen concluderen dat de mens juist níet deugt.
Bregman erkent dat de geschiedenis vaak gelezen wordt als een lange aaneenschakeling van menselijke wreedheid. Zijn project bestaat er dus uit te laten zien dat dit beeld misleidend is: volgens hem is het bewijs voor de deugdzame mens uiteindelijk sterker dan het bewijs voor de kwade mens.
Het eerste argument dat hij daarvoor aandraagt, is hetzelfde dat al in de inleiding naar voren kwam, namelijk hoe mensen zich gedragen in noodsituaties. Wanneer rampen plaatsvinden, een bombardement, een brandend vliegtuig, een scheepsramp, een overstroming, ontstaat er volgens Bregman geen massale paniek. Integendeel. Mensen blijken vaak opmerkelijk kalm, ordelijk en behulpzaam.
Om dat punt te illustreren komt hij met een verhaal van sociaal psycholoog Tom Postmes. Studenten krijgen een scenario voorgelegd waarin een vliegtuig een noodlanding maakt en de cabine zich met rook vult. Ontstaat er dan chaos en egoïsme, of helpen passagiers elkaar naar buiten? De meeste mensen die Postmes vroeg verwachten het eerste, maar volgens Postmes laat onderzoek zien dat het tweede vaker voorkomt.
Daarmee heeft Bregman een duidelijk begin van zijn betoog: wij onderschatten structureel hoe coöperatief mensen zich gedragen wanneer het erop aankomt. De conclusie is dat de menselijke natuur in zulke momenten haar ware gezicht laat zien. “Juist als de bommen uit de lucht vallen of de dijken breken, komt het beste in ons naar boven,” schrijft hij. En dat beste zakt weer naar de bodem als het voorbij is?
Het scenario van het vliegtuig roept ook vragen op. Om te beginnen is er het perspectief buiten het vliegtuig. Volgens schattingen van de United Nations leven wereldwijd ongeveer zevenhonderd miljoen mensen in extreme armoede. Voor hen is een vliegticket onbereikbaar. Het scenario van de brandende cabine gaat dus al uit van een relatief bevoorrechte groep mensen. Wanneer je het morele gedrag van de mens wil beoordelen, is het geen onbelangrijk detail dat een groot deel van de mensheid überhaupt nooit in zo’n situatie terechtkomt.
Vervolgens, het gedrag in het vliegtuig zegt iets over hoe mensen omgaan met een acute noodsituatie. Passagiers helpen elkaar naar buiten, geven gewonden voorrang en proberen orde te bewaren. Dat is zonder twijfel bewonderenswaardig. Tegelijkertijd valt op hoeveel andere dingen zij in zo’n situatie niet doen. Ze beginnen niet plotseling na te denken over mondiale ongelijkheid, richten geen actiegroepen op tegen de luchtvaartindustrie, pakken niet snel de bankier-app erbij om geld over te maken naar goede doelen, verkopen hun bezittingen niet om armoede te bestrijden en voeren geen morele herziening van hun eigen levensstijl door. Hun handelen blijft gericht op een veel directer doel: overleven en het helpen van de mensen die zich vlakbij bevinden.
Dat maakt het voorbeeld minder eenduidig als bewijs voor een brede theorie over menselijke goedheid. Het laat overtuigend zien dat mensen onder extreme druk vaak kalm en behulpzaam blijven. Maar of dat gedrag voldoende is om daaruit een algemene conclusie over de deugdzaamheid van de menselijke natuur te trekken, blijft de vraag.
Helemaal als je je bedenkt hoeveel tijd een mens daadwerkelijk in een noodsituatie doorbrengt. Vergeleken met de lange periodes van relatief rustige en normale omstandigheden vormt zo’n moment slechts een fractie van een mensenleven. Laten we voor het gemak zeggen een duizendste deel. Als ik het argument van Bregman heel precies zou nemen, zou ik misschien kunnen concluderen dat mensen ongeveer één duizendste van hun leven deugen. En dan nog met de kanttekening dat onder deugen wordt verstaan dat men anderen in de directe omgeving helpt te ontsnappen aan acuut gevaar met gevaar voor eigen leven.
Als dat het uitgangspunt is, dan weten we wat de rest van het boek nog moet doen. Dan zal het nog moeten laten zien waarom ook die andere negenhonderdnegenennegentig duizendste delen van een menselijk leven deugen. Ik zou het daarbij fijn vinden als deugen een wat minder nauwe definitie krijgt. Dus in plaats van enkel te kijken hoe we een kleine groep kunnen helpen overleven, kunnen we misschien kijken naar hoe we elkaar (de hele wereld) kunnen helpen om te floreren.