DMMD 3

Op de derde pagina van De meeste mensen deugen voert Rutger Bregman zijn betoog verder op met een reeks anekdotes over het gedrag van de Britten tijdens The Blitz. Alles zou erop wijzen dat Adolf Hitler geen rekening had gehouden met het typisch Britse karakter: de stiff upper lip, de droge humor, het vermogen om onder de zwaarste omstandigheden de moed erin te houden. Ondernemers zouden bordjes hebben geplaatst voor de ruïnes van hun winkels met teksten als “More open than usual”, terwijl een kroegbaas klanten lokte met de boodschap: “Our windows are gone, but our spirits are excellent.”

Bij zulke passages is enige scepsis op zijn plaats. In oorlogstijd wordt berichtgeving vaak gebruikt om het moreel hoog te houden, en achteraf ontstaat al snel een nationale mythevorming. Dat maakt het problematisch en ook dat de bronnen waarop Bregman zich hier baseert decennia na de oorlog zijn opgetekend, en grotendeels Brits zijn. De afstand in tijd en het nationale perspectief maken het moeilijk om dergelijke anekdotes zonder meer als representatief bewijs te zien.

De retoriek wordt nog sterker wanneer Bregman schrijft dat de Britten de bommen van de Luftwaffe ondergingen “als de vertragingen van de trein: irritant, maar er viel mee te leven.” Dat is een krachtige formulering, maar ook een die onmiddellijk wringt want voor de meer dan 40.000 mensen die tijdens de bombardementen omkwamen, viel er immers letterlijk niet mee te leven. Bovendien suggereert zo’n vergelijking een bijna totale afwezigheid van angst of wanhoop onder de bevolking. Een claim die moeilijk vol te houden is en misschien niet eens een tegenvoorbeeld nodig heeft.

Dat voorbeeld komt naar voren uit het werk van de Londense schrijver Bernard Kops. In zijn memoires beschrijft hij de ervaring van de sirenes als een allesoverheersende angst:

“I heard sirens. And sirens and sirens. Early in the morning, in the afternoon and in the evening. And we went underground to get away from the sirens and the bombs. Yet they followed me and I heard sirens and the world became a siren. One endless cry of torture. It penetrated right into the core of my being, night and day was one long night, one long nightmare, one long siren, one long wail of despair. Some people feel a certain nostalgia for those days, recall a poetic dream about the blitz. They talk about those days as if they were a time of true communal spirit. Not to me. It was the beginning of an era of utter terror, of fear and horror. I stopped being a child and came face to face with a new reality of the world..”

Waar latere herinneringen soms spreken van een romantische Blitz spirit, beschrijft Kops juist een periode van diepe angst en ontwrichting: het moment waarop hij, als kind, voor het eerst de harde realiteit van de wereld onder ogen moest zien. Het bestaan van zulke getuigenissen maakt duidelijk dat het gedrag en de beleving van Londenaren waarschijnlijk veel uiteenlopender waren dan Bregmans anekdotes suggereren.

Ook op economisch vlak kiest Bregman voor opvallend sterke formuleringen. De treinen zouden “gewoon zijn blijven rijden” en de schade aan de economie zou “niet veel hebben voorgesteld”. Als illustratie vermeldt hij dat in april 1941 de Britse oorlogsproductie meer hinder ondervond van Tweede Paasdag, toen iedereen vrij had, dan van de bombardementen. Het is een geestige vergelijking, maar ook een die verdacht veel weg heeft van retorische overdrijving. Ze roept onwillekeurig het beeld op van de beroemde scène uit Monty Python and the Holy Grail waarin een ridder, nadat al zijn ledematen zijn afgehakt, volhoudt dat het maar een schrammetje is. Maar toegegeven, als de oorlogsindustrie zich voornamelijk buiten Londen bevond, dan is die stelling mogelijk best te verdedigen. De stelling echter dat er in totaal weinig economische schade was, valt moeilijk te rijmen met Bregmans eerder genoemde feit dat een miljoen gebouwen beschadigd of vernietigd werden tijdens de Blitz.

De spanning in Bregmans betoog wordt nog duidelijker wanneer hij even later zelf nuance aanbrengt. Nadat hij de Blitz eerst heeft vergeleken met een vervelende treinvertraging, schrijft hij plots: “Natuurlijk was er veel verdriet en woede. Natuurlijk werd er diep gerouwd om de geliefden die waren omgekomen.” Dat is een veel plausibeler observatie, maar je kunt in een betoog niet van twee walletjes eten. Hoe waar ook, het staat op gespannen voet met het eerdere beeld van stoïcijnse onverstoorbaarheid.

Volgens Bregman bleven de psychiatrische noodhospitalen leeg, nam het alcoholmisbruik af en pleegden minder mensen suïcide dan in vredestijd. Daaruit concludeert hij dat de mentale gezondheid van veel Britten zelfs verbeterde en dat de samenleving sterker uit de Blitz kwam. Maar twee indicatoren, alcoholgebruik en suïcidecijfers, vormen een wel erg smalle basis om zulke brede uitspraken te doen over de geestelijke gezondheid van een hele samenleving.

Toch gebruikt Bregman deze observaties om een nog grotere conclusie te trekken: dat de beroemde massapsycholoog Gustave Le Bon er volledig naast zat. Volgens Le Bon zouden noodsituaties het slechtste in mensen naar boven brengen; volgens Bregman gebeurde juist het tegenovergestelde. De Britse bevolking zou tijdens de Blitz “een paar treden zijn gestegen op de ladder van de beschaving”.

Maar ook hier rijst de vraag of de sprong in redenering niet te groot is. Dat mensen onder druk meer solidariteit tonen binnen hun eigen gemeenschap betekent nog niet dat de menselijke natuur plotseling edeler wordt. Sterke bedreigingen versterken vaak juist de grens tussen in-group en out-group: binnen de groep groeit de saamhorigheid, terwijl de vijand des te sterker wordt gedehumaniseerd.

Daar komt nog iets bij. Tijdens de periode van de Blitz was het Verenigd Koninkrijk nog steeds een koloniale macht, met een rijk dat gepaard ging met geweld, onderdrukking en hiërarchie. Zelfs als de Britse samenleving onderling tijdelijk hechter werd, is het moeilijk om daaruit de conclusie te trekken dat zij als geheel “een paar treden op de ladder van de beschaving” was gestegen.

De anekdotes over humor, thee en onverstoorbaarheid maken van de Blitz een aantrekkelijk verhaal. Maar wanneer ze worden gebruikt als bewijs voor grote uitspraken over de menselijke natuur, verdienen ze een kritischer behandeling dan Bregman hier geeft.